
Koetsenbouwers
Voortbeweging werd altijd al nauw geassocieerd met het vak van de koetsenmaker. In het vroege begin van de auto voorzag de fabrikant zijn klanten van een rollend chassis. De klant ging dan naar een bouwer van paardenkoetsen voor de carrosserie. Dat het resultaat bekend stond als een “paardenloze koets” lijkt logisch.
Met de Mercedes uit 1901, die langer en lager was dan alles wat men tot dan toe had gezien, begon de carrosserie van de auto te evolueren. Door de langere wielbasis konden de achterzetels van aan de zijkant bereikt worden in de plaats van langs de achterkant. Daarna kwamen de zijdeuren en voorruiten op.
Een gesloten carrosserie was relatief zeldzaam voor 1914 want voor het bijkomende gewicht van de carrosserie was een steviger en dus duurder chassis nodig.
Normaal gezien duurde het verschillende maanden om een chassis van een carrosserie te voorzien en het was een dure procedure. Net voor de oorlog in 1914 uitbrak was het dan ook gebruikelijk dat fabrikanten hun kleinere modellen reeds voorzien van carrosserie aanboden. De jaren voor 1914 waren gouden jaren voor koetsenbouwers en deze periode leverde ook een aantal meesterwerken op, zowel in kwaliteit als afwerking.
Tegen de jaren 1920 bestonden er nog steeds onafhankelijke koetsenbouwers maar hun werk bleef steeds meer beperkt tot luxechassis of, bij meer alledaagse chassis, tot speciale carrosserieën op vraag van de klant. De economische crisis in 1929-1930 betekende het einde voor een aantal fabrikanten van luxewagens en de markt voor traditionele koetsenbouwers bleef afnemen door de opkomst van industriële carrosseriebouwers.
Ze konden nog wel wat werk bij mekaar sprokkelen tijdens de jaren dertig en onmiddellijk na de oorlog maar daarna verdwenen ze of pasten zich aan het industriële of gespecialiseerde carrosserie aan. België telden verschillende carrosseriebouwers van topklasse: D’Ieteren, Vanden Plas, Vesters & Neirinck. Frankrijk had onder andere Labourdette, Letourneur & Marchand, Chapron, Franay en Engeland had Park Ward, Mulliner en Hooper. In Italië waren Farina en Touring beroemd en in Duitsland had men Karmann en Reuter.